Home > In de Tuin

Historie

De start

heieneverbes.jpg

Eind zeventiger jaren zoekt het Werkvoorzieningschap West Noord - Brabant te Roosendaal binnen de 24 aangesloten gemeenten ruimte om een aantal personen, in het kader van de wet Sociale Voorziening, te werk te stellen in een beschermde omgeving. Hun idee is om een grote tuin of park aan te leggen en te laten onderhouden door W.S.W.-medewerkers. De gemeente Rucphen voelt wel iets voor dit plan en biedt een stuk grond aan met een oppervlakte van ongeveer 2 hectare. Na enig overleg wordt besloten van het gebied een heemtuin te maken; het moet een tuin worden met in het wild voorkomende plantensoorten.

De deelnemers

In 1980 wordt er een werkgroep Heemtuin geformeerd, waarin de gemeente Rucphen (3), het Werkvoorzieningsschap (2) en de Natuurwerkgroep gemeente Rucphen (1) zitting hebben. De taak van deze werkgroep Heemtuin is advies uitbrengen aan het college van B in W. van de gemeente Rucphen. De gemeente stelt een globaal plan op en er wordt een kostenraming gemaakt.

Het plan

Het plan is om de tuin te laten bestaan uit drie grote onderdelen: een loofbos, een middengedeelte en het meest westelijke gedeelte. In 1980 wordt gestart met het aanbrengen van randbeplanting (5 tot 7 rijen op 1 meter afstand) en de afrastering (gaas). Op de overgang van het middengedeelte naar het meest westelijke gedeelte bevindt zich een houtwal die sterk verwaarloosd is en voor meer dan 90% uit Amerikaanse eik bestaat (Querqes Rubra). Deze wordt gerooid en vervangen door zomereik (Querqes Robur).

Het noordelijk gedeelte

Het noordelijk gedeelte Het meest noordelijke gedeelte bestaat uit een zeedennenbos (30 are) dat ingeplant is op een voormalig heideveldje. Als onderbegroeiing van dit zeedennenbos treffen we soorten aan van het eiken/berkenbos. Een klein gedeelte bestaat uit grasland waarop enige gebouwen van de voormalige eigenaar hebben gestaan. Besloten wordt het minder vitale zeedennenbos te kappen om plaats te maken voor de ontwikkeling van een eiken/berkenbos. Op de overgang van het eiken/berkenbos, naar het middengedeelte, had zich spontaan struikbeplanting ontwikkeld bestaande uit : eik, berk, lijsterbes, vuilboom, kent, vlier, zeeden, boswilg en braam. De vrijstaande en daardoor goed ontwikkelde eiken tonen hier erg fraai.

Het middengedeelte

Het meest noordelijke gedeelte bestaat uit een zeedennenbos (30 are) dat ingeplant is op een voormalig heideveldje. Als onderbegroeiing van dit zeedennenbos treffen we soorten aan van het eiken/berkenbos. Een klein gedeelte bestaat uit grasland waarop enige gebouwen van de voormalige eigenaar hebben gestaan. Besloten wordt het minder vitale zeedennenbos te kappen om plaats te maken voor de ontwikkeling van een eiken/berkenbos. Op de overgang van het eiken/berkenbos, naar het middengedeelte, had zich spontaan struikbeplanting ontwikkeld bestaande uit : eik, berk, lijsterbes, vuilboom, kent, vlier, zeeden, boswilg en braam. De vrijstaande en daardoor goed ontwikkelde eiken tonen hier erg fraai.

Het middengedeelte

Het middengedeelte ligt ongeveer 80 cm. lager dan het bos en het westelijke gedeelte. Hier is in het verleden vanwege zandwinning geel zand afgegraven. Dit gedeelte wordt ingedeeld in een centraal gelegen ven, een natte, vochtige en droge heide, beekdalgraslanden, blauwgraslanden, pioniersgedeelte, ruigtegedeelte, beekdalbos en een bloemenweide soorten uit het rivierengebied (gebruikmaking talud naar hoger gelegen westelijk gedeelte). Bij de overgang van het middengedeelte naar het bos is bewust gekozen voor een steilrand (gelaagdheid van de bodem en een plek voor graafbijen en graafwespen).

Het venneke

In juli/augustus 1985 wordt gestart met de aanleg van het ven in het middengedeelte. De eerst geplande oppervlakte van het ven wordt tot 30% van de oorspronkelijke grootte teruggebracht vanwege de hoge aanlegkosten die geraamd werden op 125.000 gulden.

De eerste medewerkers

In augustus 1985 werden twee vaste medewerkers voor het onderhoud in de heemtuin aangesteld. Hun werkzaamheden bestonden uit het wieden van de aanwezige aangelegde houtige beplantingen. In november 1985 werden nog eens twee vaste medewerkers geplaatst. In het voorjaar van 1986 werden het westelijke en het middengedeelte met behulp van een graafmachiene van graszoden ontdaan.

Moerassen

Ook werden moerassen rondom het ven aangelegd en deze moerassen werden uitgegraven tot op een bepaalde diepte en voorzien van een 35 cm dikke leemlaag . Het vrijkomende zand werd deels afgevoerd en deels plaatselijk gebruikt. Op de plaats daar waar het middengedeelte overgaat naar het bos was de bodem een meter diep vergraven en volgestort met leem, klei en enig afval (glas en blikken) afkomstig van een cafetaria. Gezien de financiële middelen werd besloten alles te laten zitten en af te dekken met een 40-50 cm dikke voedselarme laag zand dat vrijkwam bij de aanleg van het ven en moerassen.

De veenput

Ook werd een veenput gegraven en stuifduinen aangelegd. Op de bodem van de moerassen werd zeer fijn korrelig wit zand, lemig zand, geelzand en teeltaarde op aparte gedeelten aangebracht.hiermee beoogde men verscheidenheid in milieu's te verkrijgen. Het vermengen van verschillende grondsoorten was niet wenselijk en werd ook voorkomen. In de bocht van het ven werd 26 kubieke meter veen aangebracht. Dit om een plantendek op veen te laten ontwikkelen. Bij de overgang van het middengedeelte naar het westelijke gedeelte werd vanwege de hoogteverschillen voor een holle weg gekozen.

Het cultuurgedeelte

Er werd besloten om op het westelijk deel, wat we voortaan cultuurgedeelte zullen noemen, een plantengroei te ontwikkelen die voorkomt in delen van Brabant die langs de Maas zijn gelegen en op hellingen in Zuid Limburg (kalkgrasland). De rest zou de bestemming van Korenakker en Hoogstamfruitboomgaard, met daaronder een Vlinderweike krijgen. Het gehele seizoen 1986 werd "opgeofferd" om een "zadenarme" bovenlaag van 2 cm te krijgen. Eerst de zaden laten kiemen en dan schoffelen. In verband met de achteruitgang van de amfibiëen werd op de scheiding van het kalkgrasland en het graanveld een poel gegraven. Het vrijkomende zand werd ter plaatse gebruikt om hoogteverschillen in het kalkgrasland aan te brengen.

De heide

Aan het einde van het seizoen werd besloten om in het komende najaar de struikheide aan te planten en de dopheide op het veen in te zaaien. Vanaf de gemeentelijke kwekerij, waar de meeste soorten werden opgekweekt, waren 5.000 van de 30.000 benodigde struikheideplanten aanwezig. Het Brabants Landschap schonk 25.000 heideplanten die van het Padvindersven afkomstig waren. In september werd gestart met rooien en planten van de heideplanten. Het duurde tot half november voor de laatste plant zijn nieuwe groeiplaats ingenomen had. Op het Padvindersven bevond zich bovendien 250 kubieke meter heiplaggen die door de vrijwilligers van de Natuurwerkgroep handmatig waren bijeen geplagd. De gemeente mocht "om niet" de plaggen hebben en deze plaggen werden ingewerkt op die plaatsen waar nieuwe struikbeplanting zou worden geplant. In het voorjaar van 1987 werden de eerste planten vanaf de kwekerij bestemd voor de heemtuin, aangevoerd en geplant.

Het planten

Bij het planten is de volgende werkwijze gehanteerd:
soorten in groepen met een oppervlakte van 1vierkante meter aanbrengen in verband met het kleureneffect
lage soorten bijeen brengen vanwege de concurrentie en alle soorten tenminste 1 x langs het pad binnen handbereik aanbrengen..
moederplanten inbrengen en daarbij rekenen op uitzaai binnen een bepaalde termijn (2e en 3e generatie).

Het bufferevenneke

In opdracht van de Gemeente Rucphen werd in 1987 werd overgegaan tot het aanleggen van een ondergrondse beregeningsleiding met een brondiepte van 24 m om bij extreme droogte de moederplanten in leven te kunnen houden. In 1987 en 1988 was de neerslag zo hoog dat met behulp van een brandweerpomp het water uit het ven gepompt diende te worden. In 1989 werd de ondergrondse leiding met ruim 160 m uitgebreid. Om bij extreme droogte het ven te kunnen bijvullen zou men gebruik kunnen van de beregeningsbron. Uit een wateronderzoek bleek dat er een behoorlijk hoge concentratie ijzer in het water aanwezig was en bij blijven vullen vanuit de beregeningsbron zou op langere duur voor problemen kunnen zorgen gezien de aanwezigheid van deze stoffen. Nadien is er een ontijzeringsinstallatie tussen gezet om het ijzer weg te vangen. Het buffervenneke In het najaar van 1988 werd in de omgeving van Holle Weggeske een bufferpoel en een beekje aangelegd. Water afkomstig uit de beregeningsbron zou het ijzer kunnen laten bezinken in de bufferpoel om daarna het water weg te laten stromen via de beek naar het ven. De bodem van de beek wordt gevormd door oude fietspadtegels gelegd in metselspecie. In het voorjaar van 1989 werden 200 m2 heideplaggen gestoken op het Padvindersven en omgekeerd (met de wortels omhoog) op de beton gelegd om als voedings en hechtingsplaats te dienen voor tal van waterplanten. Aan weerszijden van de beek werden greppels gegraven en voorzien van humeuze leem. De aanleg van de greppels diende om moeras en oeverplanten binnen handbereik te krijgen omdat een geplande brug over het ven om landschappelijke redenen niet wenselijk was. De watervoorziening in de beek werd geregeld door een pomp in het ven die via ondergrondse leiding naar de een poel in het Kalkgrasland pompte. Het in deze Sijmenspaddenpoel uitstromende water vloeide vervolgens via de beekjes en moerassen terug naar het ven. . In 1995 werden zonnepanelen op het dak geplaatst die de stoom leverde aan de venpomp.

De beek

In het najaar van 1989 werden in het cultuurgedeelte een beek en een beekdal aangelegd met een lengte van 50 meter en een breedte variërend van 3 tot 9 meter. De aanleg van deze beek werd nodig gevonden omdat na half augustus de graanvelden leeg zijn en het cultuurgedeelte dan te weinig voor bezoekers te bieden heeft. De beek is aangelegd met 260 kubieke meter leem afkomstig van de voormalige steenfabriek de Lange Schouw in het kerkdorp Schijf. Vanuit de aanwezige poel nabij het kalkgrasland kronkelt zij vrij door het landschap naar de 50 meter verderop gelegen poel, via het Bosbeekje, door de houtwal, het water door voert naar de andere beek in het middengedeelte. Naast de beek zijn ruimten met leem gemaakt die een nat tot vochtig milieu moeten garanderen voor het ontstaan van beekdalgraslandtypes.

Het westelijk gedeelte

klokjesgentiaan.jpg

Het ligt in de bedoeling om het westelijk gedeelte te voorzien van een blauwgraslandtype met onder andere klokjesgentiaan, dopheide, Spaanse ruiter, wollegrassen, zonnedauw, teer guichelheil, klimopklokje, klein glidkruid, valkruid en beenbreek. Hier is voedselarm geel zand in aangebracht. Aan de noordzijde is voor de helft humeus leem aangebracht. Het ligt in de bedoeling om hier een type grasland te ontwikkelen van wat rijkere bodem met o.a. grote pimpernel, langbladige ereprijs, sleutelbloemen, knoopkruid, margriet. In het najaar van 1990 worden de soorten geplant waarna ze zich zelf uit kunnen zaaien. Als beheersmaatregel wordt er een laat in het jaar maai en afvoerbeheer voorgesteld. Als grondsoorten zijn zand, leem, veen en kalk gebruikt. Ook werd in het Holle Weggeske een muurtje met daarop muren voorkomende plantensoorten aangebracht. Daarnaast zijn er in het muurtje ruimtes gelaten voor salamanders, kikkers, padden en andere diersoorten om er te kunnen schuilen en te overwinteren.